Deel 1: Klacht en jubel. Facetten uit de 'kleine kerkhistorie' rondom Ds. Nicolaas Hendrik Beversluis (1850-1931).
Zwijndrecht: Van den Berg, 1983. Hardback, 482 p. ISBN: 9066990171.
Deel 2: Het grootste part van "Klacht en Jubel", deel II, het verzameld werk van nu wijlen ds. N. H. Beversluis (I850-1931) bestaat uit preken. In 1983 gaf C. de Jongste in een eerste deel méér dan een biografie in "Facetten uit de kleine kerkhistorie" rondom ds. Nicolaas Hendrik Beversluis." In 1984 verzorgde hij het vervolg, dat behalve negentien preken ook gedichten, brieven en drie referaten bevat.
E. Kooijmans veronderstelt in zijn bijdrage aan deel I, getiteld „De poëzie van ds. Beversluis" dat de eigentijdse letterkunde hem nauwelijks of in het geheel niet beroerd zal hebben. „Ds. Beversluis zette los van alle eigentijdse ontwikkelingen de traditie van de calvinistische stichtelijke poëzie voort."
Beversluis'' poëzie heeft dus geen literaire pretenties. Het gaat vooral om persoonlijk doorleefde onderscheiden standen in het genadeleven en over de heilsfeiten. Als zodanig verdienen de verzen zeker waardering. Aardig is dat Beversluis'' aan mrs. J. Nijland te Paterson opgedragen gedicht „De groote Schat" alleen in handschrift — en Beversluis'' handschrift was zeer leesbaar — is opgenomen. Opvallend en aansprekend is voorts in de gedichten, dat Jezus Zelf toch het centrum is van Beversluis'' geestelijke ervaring en hartelijke begeerten.
Brieven
Behalve 38 gedichten zijn dertien brieven opgenomen: één aan ds. D. Janse, acht aan oud. A. Benders en/of oud. H. Bouwman te Giessendam, één aan oud. A. Benders en drie aan ds. G. H. Kersten. Beversluis'' kerkelijk standpunt — zijn wens om slechts door ds. Van der Velde bevestigd te worden — komt in deze brieven helder uit. Tegelijk spreekt eruit een afhankelijk leven en een schuilen ook in wat de tijd betreft zorgvolle omstandigheden, bij Christus. In de brieven aan ds. Kersten toont Beversluis — dan inmiddels te Paterson (VS) — zich een warm pleitbezorger voor een eigen theologische opleiding.
Referaten
Het eerste referaat heeft Beversluis, onder het thema „Vreest God; eert de koning", uitgesproken ter gelegenheid van de aanvaarding van de regering door koningin Wilhelmina op 31 augustus 1898. Me dunkt dat hier de Oranjetelgen, hoe begrijpelijk ook, wel erg kritiekloos verheven worden.
De „schoolrede" ten bate van de eigen school in Grand Rapids van 29 april 1909 is nog hoogst actueel. Hij legt de indringende vraag aan het hart: „Zou er... in een groter of kleiner getal van jaren, die nu achter ons liggen, niet te veel nadruk zijn gelegd op de kinderplichten en in tegenstelling daarvan de ouderplichten niet te veel op de achtergrond gedrongen zijn, waardoor Christus'' gemeente een zo moeilijk te herwinnen terrein verloren heeft?"
Genadeverbond
Opvallend is hoe ds. Beversluis zich in deze rede uitlaat over het genadeverbond. Zeker en volmondig erkent hij de totale verlorenheid van de jonge kinderen. Hij beklemtoont in zijn preken steeds de noodzaak van wedergeboorte. Toch zegt hij, na de ouders op hun eigen doop en belijdenis gewezen te hebben: „Gij ouders, moet aangemerkt worden als gelovigen. En uw kinderen als kinderen van gelovige ouders moeten gerekend worden uit kracht van uw eigen belijdenis te verkeren onder dezelfde rechten en plichten welke gij hebt... In die doop hebt ge uw kinderen opgedragen en overgegeven aan de Heere als Zijn eigendom. Hierdoor zijn uw kinderen, christenouders, in dubbele zin des Heeren. Eerst door schepping en nu in de doop door verbondshandeling... En hoewel elke gedoopte niet gezegd kan worden een waar bondeling te zijn, wordt toch elk gedoopt kind door het ontvangen sacrament gebracht onder de band van gehoorzaamheid. Deze gehoorzaamheid bestaat niet in een in eigen kracht te volbrengen van een stuks- en broksgewijze slaafachtige uiterlijke verrichting van enig deel der goddelijke Wet, doch zij is een Evangelische geloofsgehoorzaamheid."
Wij zien dus hoe Beversluis de volle verantwoordelijkheid van doop en belijdenis legt op degenen die deze ontvingen, en aflegden. Doop en belijdenis worden niet tot vormendienst of uitwendige handeling. Ze komen voor eigen verantwoording. De gedoopte en het belijdende lid staan in de spanning te moeten zijn wat zij in eigen kracht niet willen en kunnen zijn: het eigendom des Heeren. Zij behoren gelovigen te zijn.
Preken
Dat zelfde vinden wij in zijn referaat over „De gemeente van Christus en het werk van barmhartigheid." Beversluis weet heel goed dat „de ware gelovigen in de grond alléén slechts de gemeente van Christus vormen." Maar die kent de Heere alleen. Wat verstaat Beversluis daarom onder de gemeente van Christus? „Alle meer of minder vast gefundeerde kerkengroepen, welker belijdenis is uitgedrukt in de 37 artikelen van de Gereformeerde Religie; benevens zovelen als er mogen zijn, welke zich openbaren als belijders van de op grond van Gods Woord in die artikelen vervatte hoofdwaarheden... De erkenning een gemeente van Christus te zijn, grond ik dus — hetgeen u duidelijk zal zijn — niet op personen, maar op hun belijdenis en wat zij uit hoofde daarvan in hun leven behoren te openbaren."
Nu, ook in zijn preken spreekt Beversluis vanuit dit evenwicht. De Jongste zegt dat er „bewogenheid en gunning in doorklinkt." Negen preken werden eerder gepubliceerd, onder andere in „Oude en nieuwe dingen." Tien preken — waarvan er twee onvolledig zijn — zien nu voor het eerst het licht. „Bij het doorwandelen van de tuin zijner preken hebben we Beversluis leren kennen als een Schriftuurlijk prediker, die de zielsbevinding der Kerk naar voren brengt en als de enige grond ter zaligheid de Christus der Schriften verkondigt", zo schreef ds. M. Pronk in het eerste deel in een bijdrage getiteld „Beversluis als prediker."
Nieuwstaat! Nu slechts 17,95 voor deze set!
© 2025 www.refoboek.com - Powered by Shoppagina.nl